De moerbeiboom

De moerbeiboom

Door: Kees Wijnen

“Het is half november Kees, tijd om de mûriers (moerbeibomen) te snoeien” zei mijn Franse buurman naar mijn bomen kijkend.
“Moet je die snoeien dan en waarom in november?” vroeg ik hem belangstellend.
“Je moet ze snoeien omdat ze anders veel en veel te groot worden, alles moet eraf. Je doet dat bij voorkeur in november, liefst net voor ze het blad laten vallen. Dan heb je minder werk, omdat je én de bladeren én de takken in één keer opruimt” sprak mijn buurman en ervaringsdeskundige wijselijk.
Nu was de moerbeiboom voor mij redelijk onbekend. De naam zei me wel wat, maar meer ook niet. Hoogste tijd me er eens in te verdiepen.
Het blijkt dat er vele soorten moerbeibomen zijn. De vier bekendste zijn:

  • De rode mûrier geeft rode vruchtjes;
  • De zwarte mûrier geeft zwarte vruchtjes;
  • De witte mûrier geeft witte vruchtjes;
  • De ‘mûrier stérile’ geeft geen vruchten.

Van de vruchtjes van de eerste twee maak je heerlijke confiture. De ‘mûrier stérile parasol’ is een geënte versie zodat hij met zijn grote bladeren als een parasol veel schaduw geeft. Ideaal dus bij een terras. Zet je er een vruchtdragende mûrier neer dan wordt je mooie terras besmeurd door de vallende vruchten en trekt het hele legers vervelende insecten aan die afkomen op de mierzoete suiker.
De witte mûrier wordt/werd gebruikt in de zijderups kwekerijen. Ik zeg ‘werd’ omdat er nog nauwelijks van deze kwekerijen voorkomen in Frankrijk. Rond 1850-1950 verdienden er echter veel Fransen hun brood mee, met name de Ardèche was het centrum van zijderups kwekerijen.
De rups van de zijdevlinder eet de bladeren van de witte moerbeiboom. Zijdeteelt komt oorspronkelijk uit China waar het al 3500 jaar voor Christus bekend was. De Chinezen hebben het eeuwenlang geheim kunnen houden en verkochten hun zijdestoffen via de zijderoute, totdat eitjes en larven van de zijderups eerst naar het Midden-Oosten werden gesmokkeld in holle bamboe stokken en later naar Europa.
Een zijderups kwekerij bestaat uiteraard uit een aantal boomgaarden van moerbeibomen en een of meerdere enorme schuren. In die schuren staan allemaal stellingen met planken opgesteld. Op deze planken worden de bladeren van de moerbeiboom gelegd, waar de zijderupsjes zich vrolijk en ongestoord een weg doorheen vreten, veertig dagen lang. Daarna houden ze het voor gezien en spinnen ze een cocon waarin ze zich verpoppen om daar te transformeren tot een zijdevlinder, een nachtvlinder en familie van de beruchte buxusmot! De larf spint deze cocon met een haarfijne en oersterke draad. Vier dagen is hij in de weer en maakt 1,5 kilometer draad om zijn cocon af te maken. De cocons worden vervolgens verzameld en even gekookt om de pop te doden. Vervolgens wordt de draad van meerdere cocons tegelijk afgewikkeld en gesponnen tot een zijdedraad, waar dan weer de meest prachtige zijden gewaden van geweven worden. Daarnaast is in China deze pop een lekkernij.
Bijgaand filmpje geeft een aardig beeld over de zijde productie.

Maar goed, even terug naar het snoeien van de moerbeiboom. Wij hebben er langs onze oprijlaan zes staan, drie aan iedere kant. Ik zet er dan een trap onder en klauter vol goede moed in de boom. Zeker op je 71ste bemerk je dat je evenwicht niet meer optimaal functioneert en je alle zeilen bij moet zetten om in balans te blijven. Al gaandeweg, en die tip wil ik zeker met jullie delen, merkte ik dat zodra je in de boom drie steunpunten hebt je veel stabieler staat. Heb je slechts twee steunpunten, kijk dan uit, je staat dan niet stabiel! Het risico dat je onaangenaam een duikvlucht naar de grond maakt, wordt aanzienlijk groter. Met je voeten heb je al twee steunpunten, nu nog een derde zien te vinden. Het maakt niet uit wat dat is. Je handen is lastig want daar houd je je gereedschap mee vast. Je knie is ook prima, je elleboog, je zij, je billen of je bovenbeen tegen een tak. Zoek drie steunpunten en je staat stevig. Dit kan je een lelijke val en een gebroken heup besparen.
Mijn buurman raadde me aan de bladeren niet op de composthoop te gooien.
“De bladeren van de moerbeiboom composteren heel slecht.” Zei hij.
Nu ben ik best wel eigenwijs, maar Ik wil natuurlijk de kennis die hier al eeuwenlang van generatie op generatie is opgebouwd en overgedragen, niet weerleggen. Het snoeisel naar de déchetterie dus. Wat dat betreft nog een handigheidje:
ik leg eerst een bâche in de aanhanger (zeil) en daar leg ik het snoeisel op. Bij de déchetterie trek je met de bâche het hele zootje in één keer uit de aanhanger.
De moerbeibomen zijn weer mooi kaal, klaar om volgend jaar weer opnieuw uit te schieten.

 

Meer artikelen lezen van deze auteur? Klik HIER.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf hier je reactie
Vul hier je naam in

Vorig artikelLifters…
Volgend artikelRitje maken

Verwante berichten