*Column van Veronica Gieben

(gebundeld in een boekje te bestellen via info@lotgenoten.fr)

Scenario’s

Vorige week kochten we twee nachtkastjes. Antieke identieke nachtkastjes. Ze hebben gedraaide pootjes. En een laatje. Een kastje met keramieken binnenkant. Mooie koperen handgreepjes. En bovenop een roodbont marmeren blad. Schitterend!

Wel zijn er wat sierlatjes los en het knopje van één van de laatjes is eraf. Maar alle onderdelen zijn er nog wel bij. We moesten er dus nog wel wat aan klussen. Paul haalde de losse onderdelen er zorgvuldig af en leg ze bij elkaar, we willen tenslotte niets kwijtraken. Toen we er laatjes eruit haalden en de keramieken binnenkant, kwamen we onverwacht spulletjes van de vorige, vrouwelijke, eigenaar tegen. Krulspelden. Haarschuifjes. Ivoren kammen met missende tanden. Een in verregaande staat van ontbinding verkerende onderbroek. En een bijzonder oud kunstgebit. Een bovendeel. Een gehemelte met tanden. Jakkes. We hebben alles weggegooid.

Maar nu zit ik dus al dagen te tobben. Over dat kunstgebit.

Kijk, ik heb ook wel eens dat er iets achter mijn keukenla valt, of achter de wasmachine. Maar een kunstgebit? Dat kun je toch niet missen? En dus gaat mijn fantasie op de loop om het waarom van dat kunstgebit in dat nachtkastje te zoeken. Het ene scenario na het andere trekt dus al dagen aan mijn geestesoog voorbij.

Misschien had de mevrouw meerdere kunstgebitten, één voor feestjes, één voor het eten en één extra mooie voor speciale gelegenheden? En miste ze die ene dus niet zo direct.

Of, was ze oud, verward, eenzaam, kinderloos. En heeft ze nog jaren zonder gebit gedaan omdat niemand haar vroeg waar haar gebit was.

Of misschien was het van een ander. Van een overleden minnaar en wilde ze het niet weggooien, bij wijze van bizarre herinnering.

Of had ze heftige ruzie met haar man en heeft ze uit wraak zijn gebit verstopt. Zodat ze iedere keer als ze hem tandeloos zag in haar vuistje lachte, omdat zij wél wist waar zijn kunstgebit was. Enfin, zo bedenk ik dus steeds nieuwe scenario’s. Maar intussen, iedere avond als ik mijn glaasje water voor de nacht op het nachtkastje zet, zie ik er in gedachten een kunstgebit in liggen.

Veronica Gieben


Frites en wierook

Die zomer gingen naar de grote rommelmarkt in Montcabrier rondom de grote kerk. Gewapend met een lijstje waarop de zaken waar we speciaal naar op zoek waren, en een grote Franse rieten boodschappenmand, liepen we de steile toegangsweg naar het ommuurde dorp op. In het kleine stadje waren al vele mensen aanwezig. Verder waren er talloze kramen met oude meuk, echt antiek, zelfgemaakte etenswaar en frituurkramen met frites, worstjes en stukken ham. Gezellig. We slenterde over de markt en vonden bij een oude dame een mooie kristallen hanglampje, precies goed voor één van de logeerkamers in ons eigen huis in Lacapelle Cabanac. Even later scoorden we een oud leistenen telraam, leuk voor in onze gîte: het oude Franse basisschooltje in Grézels. Tijd om even te lunchen. Het was druk bij de eetkramen, etenstijd. Vooral de grote frituurkramen deden goede zaken.

Ik voelde een drup, en zag een dreigende hemel boven me. Om ons heen zagen we de standhouders op het grote kerkplein, in recordtempo allemaal plastic zeilen over de koopwaar uitspreiden, en vastzetten met touw of stenen. En toen ging het helemaal los, een enorme hoosbui stortte zich leeg boven de gigantische rommelmarkt. We vluchtten de kerk in. Binnen hing een serene rust, met zachte orgelmuziek en de overweldigende geur van wierook; een koster (of hoe heet zo’n meneer?) was de kaarsen aan het aansteken. Wij waren een van de eersten; er volgden veel meer schuilende mensen. Al snel stroomde de kerk hélemaal vol. Toen alle banken bezet waren, pakten de mensen  de klapstoeltjes die opgeslagen achter in de kerk stonden. Sommigen hadden net eten bij de frituur gehaald en langzaam verdrong de geur van frites die van de wierook. De koster liep zenuwachtig door de kerk en zei steeds, “Pas manger ici! Pas manger dans l’église!” Het haalde niets uit tegen die enorme overmacht, van nog steeds binnenstromende mensen.  De zachte orgelmuziek werd overstemd door de gesprekken van mensen.

Een kwartiertje later was de hoosbui afgelopen. Mensen pakten hun etensafval, bakjes en lege blikjes bij elkaar, en gingen weer naar buiten het zonnetje in. De kerk liep weer leeg, de zachte  orgelmuziek kreeg weer de overhand. Maar de friteslucht bleef.


Bot

We gingen weer eens lekker uit eten bij een restaurantje in Fumel. De eigenaresse onthaalde ons echt op z’n Frans: toen we binnenkwamen, liep ze enthousiast op ons af en gaf ons op beide wangen een hartelijke zoen. Haar zoon gaf ons een stevige hand en vroeg wat we wilden drinken. Toen hij de drankjes kwam brengen, gaf hij ons de kaart en vertelde wat het dagmenu was. Naast ons zat een dame uit ons dorp. Een jaar of zestig, praktisch kort haar en de energieke en drijvende kracht van het plaatselijk feest-comité. Ze herkende ons direct en zwaaide. We  maakten onze keuze en gaven de bestelling door aan de eigenaresse.

Ons eten arriveerde. Paul had witvis in een lichtgele romige saus, het zag er prachtig uit en rook zalig. Ik had een stoofpotje met een bout van lam erin; het was heerlijk. We genoten van ons eten. Ik haalde het grote bot, waar het malse vlees gemakkelijk vanaf viel, en de stukken vet uit mijn stoofpotje. Maar ik kon het nergens kwijt; het gleed van de rand van mijn diepe bord zo weer mijn eten in.  Ik wenkte de zoon van de eigenaresse en vroeg hem in mijn beste Frans, of hij een leeg bordje kon brengen. Ik wilde zeggen: “waar ik het bot op kan leggen”, maar ik kende het Franse woord voor ‘bot’ niet. Daarom zei ik dat ik de resten van het vlees erop wilde leggen, want dàt lukte wel in mijn beperkte Frans. “Bien sûr, pas de problème”,  knikte hij vriendelijk. Ik volgde hem met mijn ogen naar de keuken, maar hij kwam helaas niet terug met een bordje voor mij. Misschien vergeten, het was ook zo druk. Paul was inmiddels uitgegeten en ik kon het bot en de vetstukken op zijn bord leggen. Opgelost!

Toen we klaar waren haalde de eigenaresse onze borden weg en vroeg of we nog koffie wilden. Graag! Toen we de koffie op hadden, kwam de eigenaresse met een tasje aan onze tafel. Ze zei dat ze (zoals we gevraagd hadden) de resten in een zakje had gedaan. Ik was helemaal verbaasd. Toen ze mijn verbaasde gezicht zag, verduidelijkte ze zich: “Jullie hadden mijn zoon toch om een zakje voor de resten van het vlees gevraagd?” “Oh nee, dat bedoelde ik helemaal niet!” stamelde ik. Beschaamd legde ik uit dat mijn Frans nog niet goed is. “Ik heb het niet goed gezegd. Ik probeerde om een bordje te vragen waarop ik de vleesresten kon leggen. Excuus, ik ga echt meer Frans bijleren; het is nodig!” eindigde ik lachend.  De eigenaresse lachte mee. Ze klopte op onze schouders en haar zoon kwam er ook bij. Samen lachten we om het misverstand!

Een  man en vrouw die achter ons zaten, mengden zich in het gesprek. En mijn Frans was wèl goed genoeg om te begrijpen, dat ze vroegen of als wij het zakje niet wilde, zij het mochten hebben voor hun jonge hond. En als de eigenaresse dan toch bezig was, wilde ze ook graag hun eigen etensresten voor de hond mee. De eigenaresse en ik knikte beiden instemmend. Daarop liep zij naar de keuken om nog een tweede zakje te maken. Even later liep het echtpaar met twee zakjes etensresten het restaurant uit. Paul en ik keken elkaar aan en zeiden tegelijk hardop: “Column!”

Veronica Gieben


Twee portretten

Voor ons huis in Frankrijk wilde we een nieuwe lijst voor de spiegel. Er hing een strakke moderne functionele Ikea-spiegel en die paste eigenlijk niet  zo goed bij de oude Franse meubeltjes. We besloten naar de vide grenier in Condat te gaan en daar te zoeken naar een mooie oude lijst voor de spiegel die we hadden. Het is een grote rommelmarkt, met vele kramen. Waaronder ook één met schilderijen, ingelijste portretten en prenten.
En ja hoor, ik zag een portret met een mooie goudkleurige bewerkte lijst: precies wat we zochten. De koopman wilde er wel vanaf, maar onder voorwaarde dat we een tweede ook meenamen: “Ze horen bij elkaar” zei hij met een schalks glimlachje. Hij vroeg er een prikkie voor en we namen beiden mee. Thuisgekomen bekeken we onze aankoop. Het waren twee sepiakleurige portretten van ongeveer een eeuw oud: één  van een man en één van een vrouw. Ze keken ons streng aan. Ik bekeek beiden wat nauwkeuriger. Zij had het haar opgestoken in een strenge knot, hoog op het hoofd. Ze droeg een jurk, hooggesloten met een enorme rij stofknoopjes. En oorbellen, waarvan ik vermoedde dat het waarschijnlijk erfstukken uit de familie waren. Zelfs het strikje, wit en streng, onder haar kin, kon niet echt frivool genoemd worden. De man had een strak, zwart, glad kapsel, met een strakke scheiding. Hij droeg een enorm hoge stijve boord en een stropdas onder een colbert met vest. Zijn frivoolste ding was zijn snor. Het was een reuze-exemplaar met keurig in de krul gebracht punten.  We vonden ze wel koddig en lieten de portretten  op de tafel, tegen de muur in de eetkamer staan. Onze aandacht werd er steeds weer naar toe getrokken, en steeds ontdekte we nieuwe details op de portretten. Háár knot bleek geen knot maar een soort mutsje. En hij had een ketting in zijn vest. Terwijl wij ze ongegeneerd bestudeerden, bleven ze ons steeds streng aankijken. Het viel ons op dat de lijsten wel een beetje verschillend waren. Toen we de portretten omdraaiden zagen we dat ze door twee verschillende fotografen gemaakt waren. De stempels van de twee fotografen leerden ons dat ze beiden in hele andere delen van Frankrijk gemaakt waren! We keken elkaar verbijsterd aan. Deze heer en mevrouw hoorden helemaal niet bij elkaar: de verkoper had gewoon twee ongeveer gelijksoortige portretten verkocht. We besloten dat ze vanaf nu wel bij elkaar hoorden. Sinds die middag hangen ze naast elkaar als een hecht stel boven onze piano. Iemand die ze ziet denkt dat het man en vrouw zijn, wij weten wel beter…

Veronica Gieben

Het meisje en het ijsje

Het was warm in het kleine historische dorpje Montcuq dat we die dag bezochten. Het restaurantje waar we neerstreken om de lunch te gebruiken, had een gezellig terras onder een paar grote bomen. Vlak bij ons zat een jong frans gezin.  Vader, moeder en drie beeldschone dochtertjes. Moeder had een lichtblauwe twinset aan en droeg haar haren in een mooie bruine paardenstaart. De oudste dochtertjes waren ongeveer acht en tien jaar, echte dametjes. Met kleurige merkjurkjes en vlotte sandaaltjes. Vader droeg een nette pantalon en een overhemd van spierwitte zijde en aan de binnenkant van de kraag afgebiesd met een blauw-wit geblokt randje. Hij had een getrimd baardje en rookte een dun sigaartje.
Het jongste dochtertje was een stuk jonger dan haar zusjes. Ze was een jaar of vier en droeg een roze badstof broekje en een gespikkeld hemdje, waarvan één bandje nonchalant van haar frêle schoudertje afhing. Ze had een paar slippertjes aan met fleurige bandjes. Haar bruine oogjes stonden op ondeugend. De oudste dochtertjes gedroegen zich keurig aan tafel. Die jongste was een wiebelkontje; ze kon niet stil zitten, haar voetjes wipten steeds heen en weer. Om de haverklap gleed ze van haar stoel en zocht dan contact met de andere kindjes op het terras. Totdat moeder haar met zachte stem weer terug en tot de orde riep. Dan huppelde het meisje over het terras terug naar haar stoel, klom erop en ging met pretoogjes weer zitten; voor even.

De ober kwam met het nagerecht. Vader en moeder hadden koffie, de dochtertjes kregen een hoorntje met een enorme bol chocolade ijs. De oogjes van de jongste glinsterden. Ze pakte het ijsje voorzichtig aan en nam een paar likjes. Ze toonde het aan haar moeder en daarna aan haar vader. Haar moeder glimlachte, haar vader deinsde iets achteruit. In een mum van tijd was haar rode mondje volledig bruin. Moeder hield haar goed in de gaten om te voorkomen dat ze zich vies zou maken. Van tijd tot tijd veegde ze haar smeerkees met een grote papieren servet weer schoon. Vader zat relaxt zijn sigaartje te roken maar hield zijn jonge dondersteen nauwlettend in de gaten terwijl zij  aan de mensen op het terras trots haar chocolade ijsje toonde, er ondertussen driftig aan likkend. Het hele terras keek naar haar. Ze genoot van de aandacht. Vader en moeder lachten vertederd naar hun jongste spruit. Moeder pakte haar fototoestel. De snoet van de kleine doerak was intussen zo besmeurd met chocolade dat zelfs haar keurige zusjes erom moesten lachen. Moeder maakte er een foto van. De robbedoes liep naar papa en tuitte haar besmeurde chocolade mondje, alsof ze wilde vragen:  papa een kusje? Papa deinsde achteruit om zijn chocoladedochter en het ijsje te ontwijken. Succesvol. Voor de zekerheid ging hij een tafeltje verder zitten. Ondertussen nam het meisje een laatste hap van haar ijsje en toonde teleurgesteld het lege hoorntje aan haar moeder. Moeder veegde het mondje en de handjes schoon. Papa zuchtte opgelucht en het meisje ging bij hem op schoot zitten. Moeder pakte haar fototoestel om een foto te maken. De middelste dochter stond snel op van haar stoel; ze wilde óók wel eens met papa op de foto.  In haar haast haakte haar beentje achter de stoelpoot en ze struikelde richting haar vader, met haar chocolade ijsje nog in haar hand. En pas toen, is het mis gegaan.

Veronica Gieben

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.